Het verbond (2)

Zijn kinderen die jong sterven behouden?

Een vanzelfsprekende zaak?

Sommige christenen nemen als vanzelfsprekend aan, dat alle kinderen, die jong sterven behouden zijn. God is immers liefde en zou Hij dan kinderen, die van goed noch kwaad weten, niet behouden?!
Zonder hun opvatting te veroordelen moet gezegd worden, dat deze kwesite helemaal niet zo vanzelfsprekend is. Wie dat meent, vergeet twee dingen:

  1. dat er in de bijbel niet alleen staat: 'God is liefde' (1) maar ook: 'God is licht' (2)
  2. dat alle kinderen 'in ongerechtigheid zijn geboren' en 'in zonde zijn ontvangen' (Psalm 51 : 7).

Jonge kinderen mogen dan nog geen besef hebben van goed en kwaad, een zondige natuur hebben ze wel. Ze zijn onrein. Job heeft dat zó onder woorden gebracht: 'Komt ooit een reine uit een onreine? Niet één' (Job 14 : 4). En de Here Jezus heeft gezegd: 'Wat uit het vlees geboren wordt, is vlees' (Joh. 3 : 6a). De genoemde redenering mist dan ook elke grond en geeft geen houvast.


Een vreselijke opvatting

Anderen nemen een totaal tegenovergesteld standpunt in. In extreem calvinistische kringen, die men, om eerlijk te zijn ten opzichte van Calvijn, eigenlijk niet calvinistisch mag noemen, geeft men op de vraag of jonggestorven kinderen behouden zijn een keihard en onverbiddelijk antwoord. Men beschouwt de kinderen, net als de volwassenen.... schrik niet.. als: 'brandhout voor de hel'. Redding is er hoogstens voor een enkeling.
Deze mensen hebben in hun bijbel kennelijk slechts teksten staan als:

  • 'God is licht' (Joh. 1 : 5)
  • 'Onze God is een verterend vuur' (Hebr. 12 : 29).

Ze leven alleen bij de donder van de Sinaï en niet bij de lichtglans van Golgotha.
Van het feit, dat God liefde is (1 Joh. 4 : 8, 16) en dat 'de mensenliefde van God' verschenen is (Titus 3 : 4) (3), schijnen ze niet gehoord te hebben. Hun ziel is er althans niet door beroerd. Meer woorden behoeven we hier niet aan te besteden. Misschien opent deze korte maar scherpe veroordeling een eventuele lezer uit dit soort kringen er de ogen voor, dat zijn God in feite niet de God van de bijbel is.


Alleen de kinderen van gelovigen

De meeste christenen nemen ten opzichte van beide voorgaande opvattingen een tussenstandpunt in. Zij beroepen zich erop, dat de kinderen van gelovigen een bijzondere positie voor God innemen. Op grond van deze betrekking zouden die kinderen als ze jong sterven behouden zijn.
Dit standpunt laat zich vrij gemakkelijk afleiden uit de Heidelbergse Catechismus en uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Natuurlijk is de konsekwentie ervan dat de kinderen van ongelovigen in hetzelfde geval verloren zijn; anders toch zou een beroep op de bijzondere positie van de kinderen van de gelovigen geen zin hebben. Men kan zich in gemoede afvragen of deze opvatting dan wel minder vreselijk is dan de hierboven genoemde tweede opvatting. Eerlijkheidshalve moet echter gezegd, dat haast niemand deze konsekwentie hardop durft uitspreken. Velen willen er bewust zelfs niet aan denken. Dit is echter verstoppertje spelen met jezelf.


'Onze kinderen zijn opgenomen in het verbond'

We willen nu nagaan hoe men die bijzondere positie van de kinderen van de gelovigen karakteriseert.
Men brengt daartoe naar voren dat de kinderen zijn opgenomen in het verbond, dat God eertijds met Abraham en zijn nageslacht gesloten heeft. Graag haalt men daartoe de berijmde psalmen aan:

'Het verbond met Abraham, zijn vrind,
bevestigt Hij van kind tot kind'.

Als gelovigen uit de heidenen zijn we echter geen letterlijke kinderen van Abraham. Zie voor de weerlegging het eerste deel van deze brochure.


'Onze kinderen zijn ingelijfd in de kerk'

Deze inlijving wordt beschouwd als iets, dat later ongedaan gemaakt kan worden. Men is immers niet blind voor het feit, dat vele kinderen van gelovigen zich later als goddelozen ontpoppen en sterven zonder ooit tot bekering te zijn gekomen. Maar dan kan deze inlijving nooit een kwestie van een levende verbinding met God zijn. Daarmee is echter het hele argument vervallen. Want op zo'n verbinding valt geen behoudenis te gronden.
De Schrift spreekt over de kerk als over 'het lichaam van Christus' en 'het huis van God'.
Tot het lichaam van Christus wordt men gevoegd door de doop met de Heilige Geest (1 Kor. 12 : 12, 13) (4).
En wat het huis van God betreft, schrijft Petrus:
'En komt tot Hem, de levende steen, door de mensen verworpen, maar bij God uitverkoren en kostbaar, en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilige priesterschap te vormen' (1 Petr. 2 : 4, 5).
De inlijving waarvan in deze gedeelte sprake is, houdt wel een levende verbinding met God in, maar zij betreft dan ook alleen hen, die daadwerkelijk tot bekering en geloof gekomen zijn en die de Heilige Geest hebben ontvangen.


'Onze kinderen zijn wedergeboren, althans we houden ze daarvoor'

Hier stuiten we op hetzelfde probleem als bij het vorige punt. Als de kinderen wedergeboren zouden zijn, worden ze behouden, hoe ze zich ook bij het opgroeien openbaren. Men durft deze konsekwentie echter niet aan, want zoals reeds gezegd, hoeveel kinderen van gelovige ouders zijn niet als goddelozen gestorven?
Wanneer men zich voorzichtiger uitdrukt en zegt: 'We houden ze voor wedergeboren, totdat het tegendeel blijkt', heeft men zich elke grond van troost ontnomen. De kinderen zijn wedergeboren of ze zijn het niet.
'Houden voor' is haring noch kuit.

Wat zegt Gods Woord echter over wedergeboorte?

'Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, doch uit God geboren zijn' (Joh. 1 : 12, 13).

Hebben baby's 'Hem aangenomen?' 'Geloven' zij in de zijn naam?
Deze termen zijn op hen toch helemaal niet van toepassing!!
Wel, dan valt er op deze grond over hun staat voor God niets te zeggen. Bovendien laat deze tekst zien, dat wedergeboorte beslist geen zaak van bloedverwantschap of afstamming is.

Eveneens willen we wijzen op Jak. 1 : 18 (5) en 1 Petr. 1 : 23 (6). Deze teksten zeggen, dat wedergeboorte tot stand komt door het Woord van God. (In Joh. 3 : 5 (7) wordt met 'water' het Woord bedoeld. Vergelijk Ef. 5 : 26 (8)).
Welnu, kleine kinderen zijn nog niet in staat om het Woord te horen. Van wedergeboorte kunnen we bij hen dus niet spreken.

Soms brengt men te berde, dat God in het hart van de kleine kinderen 'de kiem van het geloof' gelegd heeft. Dat is echter een redenering. Rom. 10 : 14 - 17 (9) laat zien, dat voor geloof de prediking van Gods Woord nodig is.


'De kinderen van gelovige ouders zijn volgens 1 Kor. 7 : 14 heilig'

Dit argument is meer steekhoudend. Hier wordt inderdaad over een bijzondere positie van de kinderen van gelovigen gesproken. De vraag is echter of het begrip 'heilig' te maken heeft met hun innerlijk of met hun positie in deze wereld. Het woord 'heilig' betekent: 'afgezonderd'. En op zichzelf zegt dat woord niets van de innerlijke toestand van het geheiligde. Zo was het gereedschap in de tabernakel heilig, en werd de berg Sinaï geheiligd. Er staat zelfs van heidense volken, dat ze 'geheiligd worden' tot de strijd tegen Babel (Jer. 51 : 27 (10)).
Welnu, in 1 Kor. 7 : 14 (11) gaat het om de afgezonderde positie die deze kinderen in de wereld innemen. Wil met het behouden van de kinderen op deze tekst gronden, dan moet men ook de ongelovige man, waarover dat vers spreekt, voor behouden rekenen, want er staat van hem, dat hij geheiligd is. Maar, en dat is het kernpunt, deze man is niet een geheiligde in Christus, maar slechts geheiligd in zijn vrouw. Dit vers heeft dus alleen maar betrekking op de positie, die men voor God in deze wereld inneemt.
De apostel wil hier zeggen, dat een vrouw, die tot geloof gekomen is, haar heidense man niet als een onheilige moet beschouwen en hem dus niet moet verstoten. Anders zouden de Korintiërs hun nog onbekeerde kinderen ook als onreinen en onheiligen de deur uit moeten zetten. Dat deden ze niet. Ze beschouwen hun kinderen als 'heilig' ondanks het feit dat ze nog niet tot bekering gekomen waren. Dit 'heilig' slaat, net als het 'geheiligd' van de onbekeerde man, op de positie die de kinderen van gelovigen voor God in de wereld innemen. Het zegt niets over hun eeuwig behoud.


'Kinderen worden behouden op grond van het geloof van de ouders of zijn verloren op grond van het geloof van de ouders'

In deze stelling wordt de konsekwentie van het 'kerkelijk standpunt' duidelijk getrokken. Voor het eerste deel van deze uitspraak beroept men zich op de hiervóór besproken tekst, voor het tweede deel voert men Ex. 20 : 5 aan:

'Die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten'.

Hier staat echter niet dat God zuigelingen verdoemt om het ongeloof van hun ouders. Deze tekst houdt geheel iets anders in. Namelijk dat de ongerechtigheden van de ouders IN DIT LEVEN bezocht worden aan hun kinderen en wel als dat derde en vierde geslacht ook behoort tot hen 'die Mij haten' (vgl. Matth. 23 : 35, 36 (12)). Zij die voortleven in het kwaad van hun vaderen ondervinden de bezoeking van God over dit kwaad.
Het kwaad van de ouders bezoekt God niet zo maar aan kinderen. Dat valt reeds in de wet op, waar staat:

'De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf' (Ezech. 18 : 20).

Met deze laatste tekst is het argument finaal terzijde gesteld.


'God werkt in de lijn der geslachten'

Hierin schuilt een kern van waarheid. Daarbij gaat het echter niet om zuigelingen, maar om grotere kinderen. De kinderen van gelovigen komen van jongsaf onder de beïnvloeding van het evangelie. En God wil dat gebruiken tot hun behoud. In de bijbel vinden we het belangrijke beginsel 'Gij en uw huis'. God ziet het huis als een eenheid en wil niet alleen de ouders maar ook de kinderen redden. In het geval van Lot betrok God daarbij zelfs diens schoonzoons (Gen. 19 : 12). Als christen-ouders mogen we bidden voor de bekering van onze kinderen en pleiten op de belofte:

'Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis' (Hand 16 : 31).

De kinderen van de gelovigen nemen wat hun uiterlijke positie betreft een bevoorrechte plaats in: ze groeien op in een christelijk gezin; ze komen dagelijks in aanraking met Gods Woord; ze zijn voorwerpen van aanhoudend gebed en wat meer zegt: God biedt hen in het bijzonder het heil aan. Maar dit zegt niets over hun staat voor God als ze nog zuigelingen zijn.
Dat God de opvoeding wil zegenen vinden we in het geval van Timotheüs ( 2 Tim. 1 : 5 (13); 3 : 15 (14)), maar de Here is daardoor niet beperkt in zijn genade. Anders toch zou zendingswerk geen zin hebben. De genade Gods strekt zich echter uit tot alle mensen (Titus 2 : 11), Hij roept allen overal op zich te bekeren (Hand. 17 : 30, 31); Hij heeft de wereld liefgehad en voor haar zijn Zoon gegeven (Joh. 3 : 16) enz.
Ja, we hebben zelfs een voorbeeld, dat Hij ondanks de goddeloosheid van de ouders hun kind redt, zoals in het geval van het zoontje van Jerobeam 'in wie iets goed voor de Here werd gevonden' ( 1 Kon. 14 : 13).
Dit alles, heeft echter niets te maken met de toestand van kinderen, die jong sterven.
De argumenten voor de stelling dat deze kinderen behouden zijn, blijken te enen malen ongefundeerd te zijn.


Algemene beginselen

Maar nu het tweede deel van de stelling, namelijk dat de kinderen van ongelovigen verloren zouden zijn. Hoe staat het daar mee?
Wel, als dit waar zou zijn dan komen we met een drietal algemene beginselen, die in de Schrift te vinden zijn, in konflikt. En wel de volgende:

  1. Alle volwassenen hebben óf de prediking van de natuur (Rom. 1 : 19 (15); Ps. 19) óf daarbij die van de Schrift vernomen. Gaan ze verloren, dan komt dat omdat ze deze prediking geen gehoor hebben wilen geven. Deze kleine kinderen zouden echter verloren gaan zonder prediking, zonder kans om zich te bekeren. Voor hen zou het niet gelden: '...zodat zij geen verontschuldiging hebben' (Rom. 1 : 20b).
  2. De Schrift laat zien, dat God de mensen liefheeft (Titus 3 : 4 (3)) en dat Hij geen welgevallen heeft in de dood van een zondaar (Ezech. 18 : 32 (16)). En eventuele verdoemenis van kleine kinderen valt hiermee niet te rijmen. Zij zouden dan alleen maar te maken hebben met de heiligheid van God en volkomen buiten het bereik van Zijn liefde en erbarming vallen.
  3. Allen die verloren gaan ontvangen 'vergelding naar hun werken'. Kinderen die jong sterven zouden geoordeeld worden zonder dat er van vergelding sprake kan zijn.


Direkte aanwijzingen

Deze drie beginselen laten al zien, dat het tweede deel van de gewraakte stelling evenmin juist kan zijn. Er zijn daarvoor ook een aantal direkte aanwijzingen te vinden. Een paar ervan zijn al genoemd. We geven ze in de volgende opsomming ten overvloede erbij:

  1. God straft de kinderen blijkens Deut. 24 : 16 (17) niet om de zonde van de ouders. Om welke zonde moet God dan deze kinderen veroordelen?
  2. Wat de schuldvraag betreft maakt God verschil tussen de volwassen bewoners van Ninevé en de kinderen. Hij stelt deze laatsten gelijk met het vee. De kwestie van eeuwig behoud is hier wel niet in het geding, maar wel de kwesite van schuld en gericht.
  3. Dat kinderen een bijzondere plaats bij God innemen wordt op meer dan één plaats in de Schrift betuigd, zoals in:
    1. Ps. 83 : 3 en Matth. 21 : 16: 'Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij u lof bereid'. Daarbij moet bedacht worden dat met zuigelingen kinderen tot een jaar of vijf bedoeld worden.
    2. Matt. 18 : 10: 'Ziet toe dat gij niet één van deze kleinen veracht. Want ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien van mijn Vader, die in de hemelen is'.
    3. Matth. 18 : 11: 'Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te behouden'. Dat wordt gezegd met het oog op de kinderen.
    4. Matth 18 : 3: 'Als gij niet wordt als de kinderen...'
    5. Matth. 19 : 14: 'Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen; want voor zodanigen is het koninkrijk der hemelen' (vgl. Luk. 18 : 16 (18)).
  4. Wanneer een gedeelte van de kinderen, die jong sterven verloren zou gaan dan moeten zij vallen onder de opstandig ten oordeel, waarover Joh. 5 : 29 spreekt. Die opstanding geldt echter hen 'die het kwade bedreven hebben'. Deze jonge kinderen hebben echter nog geen kwaad bedreven. Dikwijls brengt men hier tegen in, dat op deze kinderen net als op ons allen de schuld van Adam rust (de 'erfschuld') en men beroept zich daarvoor op Rom. 5 : 12 (19). De term 'erfschuld' komt echter in de bijbel niet voor en het begrip, althans de toerekening van die schuld strijdt met Deut. 24 : 16 (17). Maar zelfs als iemand een schuld erft dan heeft hij die nog niet zelf veroorzaakt. Welnu, Joh. 5 : 29 (20)spreekt over hen die het kwade bedreven hebben. En dat kan onmogelijk op baby's slaan. Het oordeel treft iemand om zijn persoonlijke schuld! Bovendien wordt Rom 5 : 12 door velen anders weergegeven dan de Statenvertalers hebben gedaan. In plaats van 'in wien allen gezondigd hebben' leest men: 'omdat allen gezondigd hebben'.
  5. De opstanding ten oordeel wordt nader omschreven in Op. 20 : 11 - 15 (21). Ook daar lezen we dat allen die veroordeeld worden, veroordeeld worden naar hun werken.

Alle onder punt 1 t/m 5 genoemde argumenten sluiten uit, dat kleine kinderen, die jong sterven, onder de termen vallen van het verdoemend oordeel van God, waarover in de Schrift gesproken wordt. Anderszijds tonen ze duidelijk, dat de kinderen een aparte plaats innemen in Gods hart en in Gods raad. Daarmee is echter nog niet alles gezegd.
Laten deze kinderen dan geen persoonlijke schuld op zich geladen hebben omdat ze nog geen zonden hebben bedreven, al een zondige natuur hebben ze wel. En dat feit is al voldoende om hen buiten de hemel te sluiten.
Maar... die natuur hebben alle volwassenen, die tot geloof gekomen zijn net zo goed. Als er om die reden voor kleine kinderen geen behoud mogelijk zou zijn, dan is er voor geen enkele gelovige behoud mogelijk. Onze zonden mogen dan wel weggedaan zijn door het bloed van Christus, maar onze boze natuur ... hoe zit het daar mee?!


Het kruis en het kruis alleen

Met deze laatste opmerking komen we eigenlijk tot het kernpunt van ons betoog. Velen zoeken het behoud van de kinderen te gronden in het ingelijfd-zijn in de kerk 'buiten welke geen zaligheid is' (Ned. Geloofsbelijdenis art. 28) of in het Verbond. De konsekwentie is dan dat de kinderen van ongelovigen verloren moeten zijn. Behoudenis is echter alleen in het kruis. Dat is de grondslag. Kerk, Verond, enz. zijn daarmee wel verbonden, maar die nemen een secundaire plaats is en niet een primaire.
Helaas heeft men dat in de Christenheid dikwijls uit het oog verloren. Dan worden kerk en verbond vóór het kruis geplaatst in plaats van er achter. En daarmee is nog een andere zaak gemoeid, namelijk dat men de verschillende betekenissen van het kruis niet heeft ontdekt. En dat vloeit weer voort uit het verachten van de typologie. Onder typologie verstaan we dat oudtestamentische instellingen, gebruiken en zelfs geschiedenissen een zinnebeeldige betekenis hebben en afschaduwingen (typen) zijn van nieuwtestamentische waarheden en gebeurtenissen. Zo wijst het Pascha heen naar het offer van Christus (1 Kor. 5 : 7 (22)), zijn tabernakel en tabernakeldienst een afschaduwing van de dingen die in de hemel zijn (Hebreeënbrief) en heeft zelfs Hagar een zinnebeeldige betekenis (Gal. 4 : 23, 24 (23)).


Vijf offers, één kruis

Zo zijn alle offeranden een type van het ene offer, dat voor zondaren is volbracht. Welnu, het boek Leviticus opent met de beschrijving van vijf offeranden. Deze allen moeten dus een bepaald aspekt tonen van het werk dat Jezus Christus heeft volbracht.
Waar echter in de officiële theologie vinden we dit duidelijk uitgewerkt? Men behandelt de offers in verband met het Israëlitische godsdienstig leven, men geeft een algemene verwijzing naar het Nieuwe Testament, maar van een konsekwent doortrekken van de lijnen is geen sprake. Het verwaarlozen van deze verscheidenheid in het Oude Testament heeft tot gevolg dat men de onderscheidingen, die in het Nieuwe Testament te vinden zijn, niet opmerkt of niet duidelijk aksentueert. Voor de offers van Leviticus verwijzen we naar 'Aantekeningen op Leviticus' van C. H. Mackintosh. We beperken ons hier tot de nieuwtestamentische gegevens.


Zonde en zonden

De mens is een zondaar, dat betekent dat hij niet alleen kwaad doet, maar verdorven is wat zijn wezen betreft. Hij is te vergelijken met een wilde appelboom. Die is van karakter wild en brengt wilde vruchten voort. Zo spreekt de bijbel over zonde als een macht, die in ons woont en over zonde als een verkeerde daad. In het laatste geval komt het woord uiteraard ook in het meervoud voor, in het eerste geval niet.


Dit onderscheid is van enorm belang

Het begrip zonde als daad is genoegzaam bekend, daarvoor behoeven we geen Schriftplaatsen aan te voeren. Het begrip zonde als macht-in-ons heeft echter niet die aandacht gekregen, die nodig is.
De zonden, de verkeerde daden dus, waardoor de mens schuld op zich laadt. Vanaf dit vers wordt het probleem van de zonde als boze macht, die ons tot zondigen brengt, behandeld.
Twee kenmerkende verzen zijn bijvoorbeeld Rom. 7 : 17 en 20 (24)waar sprake is van 'de zonde, die in mij woont'. Ten overvloede zij vermeld, dat deze zonde in ons wordt aangeduid als 'het vlees' en als 'onze oude mens', beide met een klein verschil in belichting (zie Rom. 7 : 18, 26 (25); 8 : 12 (26); en Rom 6 : 6 (27); Ef. 4 : 22 (28); Kol 3 : 9 (29)).


Een dubbele oplossing

Het zal duidelijk zijn, dat het offer van Christus tenminste twee aspekten moet hebben wil een zondaar gered kunnen worden. Het kruis moet de oplossing bieden voor het probleem van onze zonden, maar eveneens voor het probleem van onze zondige aard. Welnu, de Schrift laat zien, dat het kruis die dubbele oplossing biedt (en zelfs nog meer, maar de betekenis van bijv. het brandoffer laten we rusten).
De volgende twee teksten kunnen daartoe niet genoeg in uw aandacht aanbevolen worden:

1)  'Hij die geen zonde gedaan heeft ... die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven' (1 Petr. 2 : 22, 24).

In dit vers gaat het dus om onze zondige daden en om de goede daden die we na onze bekering moeten doen. Dit aspekt van het kruis is wel nodig maar niet voldoende. Als iemand van een appelboom alle wilde appels afplukt, zal nog geen enkele tuinier hem in zijn boomgaard willen hebben. Zo is een zondaar wiens zonden vergeven zijn op grond daarvan nog niet geschikt voor de hemel.

2)  'Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem' (2 Kor. 5 : 21).

Hier gaat het om de zonde als macht. Christus kende de zonde als macht in zich niet ('In Hem is geen zonde', 1 Joh. 3 : 5). Maar Hij is tot zonde, tot dat onreine dat in ons woont, gemaakt. Met welk doel? Opdat we niet meer zouden zondigen? Natuurlijk ook, maar dat is hier niet de zaak waar het om gaat. Het doel is dat we iets worden en wel de gerechtigheid Gods.
God heeft onze oude mens met Christus geoordeeld en principiëel gezien weggedaan. We zijn volkomen rein en smetteloos. God heeft ons rechtvaardig verklaard in Christus. Vandaar dat de Schrift ons niet meer zondaars noemt (zie: Rom. 5 : 8: 'waren'), hoewel we helaas nog wel zondigen.

Eigenlijk kunnen we er niet omheen om ook Rom. 8 : 3 aan te halen. We lezen daar:

'Want wat de wet niet vermocht, omdat zij zwak was door het vlees - God heeft door zijn eigen Zoon te zenden in een vlees, aan dat der zonde gelijk, en wel om de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees'.

De zonde als boze macht is dus geoordeeld.

Passen we dit nu toe op ons onderwerp dan zien we dat God kinderen, die jong sterven, behouden kan, ondanks het feit dat ze een zondige natuur hebben. Deze kinderen hebben nog geen zonde gedaan. Het werk van Christus voor de zonde, dat iemand alleen toegerekend wordt op grond van bekering en geloof, hebben ze dus, met eerbied gezegd 'niet nodig'.
Zonde in het vlees hebben ze echter wel. Daar de zonde in Christus geoordeeld is heeft God dus een volmaakte grond om alle kinderen op grond van dit aspekt van het offer van Christus in zijn hemel op te nemen. Als het kind jong sterft heeft het om zo te zeggen aan dit aspekt genoeg. God kan hun dat toerekenen. Groeit het echter op, dan zal het tot bekering en geloof in Jezus Christus moeten komen, want dan heeft het zonden gedaan.


Behouden zijn of behouden worden

Ieder voelt, dat in dit licht bezien, de kwestie van wedergeboorte of veronderstelde wedergeboorte waarmee men in de Gereformeerde Kerekn zo worstelt, helemaal geen rol speelt. Kinderen zijn niet wedergeboren, maar als ze jong sterven kan God ze op grond van het werk van Christus het nieuwe leven meedelen.
Jonge kinderen zijn niet behouden, maar als ze jong sterven worden ze behouden.

Van harte hopen wij dat deze uiteenzetting voor velen troost en geloofsversterking mag betekenen. Mocht iemand menen, dat wij met ons betoog de kwestie van de behoudenis te ruim gesteld hebben, en dat we barmhartiger willen zijn dan God, dan verzoeken wij hem naast Jona onder de wonderboom plaats te nemen. Laat hij daar luisteren naar het onderwijs dat de onbarmharige profeet ontving met de woorden:
'Zou Ik.... niet sparen?' (Jona 4 : 11).


Ga naar: